• darkblurbg

Ligging

Het Tienhovensch Kanaal is gelegen tussen de Vecht bij Breukelen en de Hoorneboegsche Heide onder Hilversum. De totale lengte van het kanaal bedraagt 11 kilometer. Het kanaal loopt dwars door het Utrechts-Hollandse veenweidegebied en grenst aan de Loosdrechtse Plassen.

 

Geschiedenis

Oneindige moerassen
De geschiedenis van het Tienhovensch Kanaal ligt besloten in de geschiedenis van het gebied waarin het is gelegen. Zowel kanaal als landschap zijn een direct gevolg van het op grote schaal ingrijpen van de mens in zijn natuurlijke omgeving. Dit deel van het Utrecht-Hollands veengebied is tot ver in de middeleeuwen een groot moeras en nauwelijks toegankelijk: een hoogveengebied tussen de meanderende Vecht en de hoge zandgronden van het Gooi en de Utrechtse Heuvelrug. Door het hoogveen lopen enkele veenriviertjes die afwateren op de Vecht. Aan deze natuurlijke situatie komt in 1122 een eind.

De basis voor de grote ontginningen
In 1122 wordt de oude Rijnloop bij Wijk bij Duurstede bij bisschoppelijk besluit afgedamd. De Oude Rijn en de daar vanaf takkende Vecht kregen een lager waterpeil en konden vanaf toen ingezet worden ten behoeve van de ontwatering van de aangelegen (veen)gebieden. Daarnaast werd met de afdamming van de Oude Rijn ook de dreiging van overstromingen weg genomen. De hoofdloop van Rijn vervolgde sindsdien zijn weg via de Lek. De ontginningen in het Utrecht-Hollandse veengebied namen een aanvang.

Verschuivende dorpen
De ontginningen ten oosten van de Vecht staan onder de centrale regie van het klooster Oosthoek bij De Bilt. In verschillende fasen werd het gebied ontgonnen waarbij de ontginningslinten en de daaraan gelegen dorpen steeds verder noordoostwaarts opschuiven als gevolg van het recht van vrije opstrek. Dit recht houdt in dat vanaf de ontginningsbasis de kavel steeds verder ontgonnen kan worden de wildernis in tot aan een natuurlijke grens, een ander ontginningsblok of een bestuurlijk-politieke grens. De eerste ontginningsas ligt bij de Hoofddijk en loopt direct naast en evenwijdig aan de Vecht. De volgende ontginningsfase start bij de Gageldijk. Zo gaat het verder, waarbij de huidige dorpen en buurtschappen Breukelerveen, Tienhoven, Oud-Maarsseveen, Westbroek, Achttienhoven, Achterwetering en Maartensdijk de laatste ontginningsfase representeren. Al deze ontginningsfasen vinden plaats tussen de 12e en 16e eeuw. Door verschillen in tempo en bodemgesteldheid sluiten de linten (zoals nog wel het geval was bij de Hoofddijk en de Gageldijk) niet altijd meer goed op elkaar aan. Hieraan zijn de huidige verspringen in de dorpslinten te danken, zoals tussen Oud-Maarsseveen en Westbroek en tussen Achttienhoven en Achterwetering.


Het oostelijke deel van het Tienhovensch Kanaal in 1905

Over taarten en eenden
De ontginning ten oosten van de Vecht vond zijn politiek-bestuurlijke begrenzing in de grens met Holland. In 1280 was de Weersloot aangewezen als grens tussen het graafschap Holland en het bisdom Utrecht. Deze grens werd in 1352 verlengd als Hollandse Rading tot op de hoge zandgronden van het Gooi. Door deze noordelijke begrenzing van het ontginningsblok bleef er voor de aangelegen dorpen een soort van taartpunt over om te ontginnen. Omdat Tienhoven zijn perceelsgrenzen rechtdoor trok, komen Breukeleveen en Maarsseveen in de verdrukking met taps toelopende percelen in de punt van de ontginning. Bij Breukelerveen werden deze kavels, bij besluit in 1552, dan ook een kwartslag gedraaid. Dit komt het praktisch gebruik ten goede, maar kon niet voorkomen dat later op deze plek de eendenkooi van Breukeleveen wordt aangelegd. Deze kooien legde men veelal aan op minder goed bruikbare gronden.

Over perceelssloten en inklinking
Met de ontginning van het Tienhovensche Blok begon ook de geschiedenis van het Tienhovensch Kanaal. Toen was het niet meer dan een brede perceelssloot als afscheiding tussen het Tienhovensche en het Breukeleveensche ontginningsblok. Na de ontginning werden deze gronden in gebruik genomen als bouwland, met name ten behoeve van de akkerbouw. De gronden klonken echter snel in als gevolg van de ontwatering. Inklinking doet zich vooral voor in veengebieden, waarbij door de ontwatering het water in de grond wegvloeit en het bodemvolume afneemt, met bodemdaling tot gevolg. Vanaf dan kunnen de gronden alleen nog maar worden gebruikt als wei- of hooiland.

Turf: brandstof van de Gouden Eeuw
Al snel ontstond echter de mogelijkheid tot een meer lucratief landgebruik. De groei van de Hollandse  steden vanaf de 15e eeuw kent een belangrijke economische motor in de vorm van turf. Turf wordt verkregen door het drogen van veen. De dicht bij de steden gelegen veengebieden in Utrecht en Holland werden dan ook al vrij snel verveend. Eerst vond vervening boven het grondwaterpeil plaats, maar door de lage ligging van de veengronden moest er al snel gebaggerd worden. 


Grote delen van de polder verruigen weer, maar het zal lang duren voor er weer veen ontstaat.

De turflandschappen
Dit baggerturven in de laagveengebieden levert karakteristieke landschappen op. Landschappen die nu nog altijd goed zichtbaar zijn in het Utrechts-Hollandse veengebied. Na het baggeren ontstaan petgaten en legakkers. De petgaten zijn brede watergangen waarin het veen is weggebaggerd. De legakkers ter weerszijden van de petgaten zijn de stroken grond waarop de turf te drogen werd gelegd. Dit fraaie landschap is nog goed te zien in de Kievitsbuurt ten noorden van het Tienhovensch Kanaal en in de Tienhovensche Plassen en de Polder Westbroek ten zuiden van het kanaal. De legakkers worden om economische redenen zo smal mogelijk gehouden. Het wil dan ook wel eens gebeuren dat met flinke stormen bressen in de legakkers ontstaan of dat grote stukken geheel verdwijnen. Het landschap van petgaten en legakkers verandert dan in één grote plas water. De Loosdrechtse en Vinkeveensche Plassen zijn hier het resultaat van en vormen nu recreatieve eldorado's voor de watersport.  In de 19e eeuw worden enkele van deze plassen drooggemalen: de droogmakerijen. Een droogmakerij is een  diep gelegen polder met een vaak rationele verkaveling. De Polder Bethune (tot 3,30m-NAP) ten zuiden van het Tienhovensch Kanaal, maar ook veel polders rondom Rotterdam en in de Ronde Venen zijn hier voorbeelden van.

Amsterdam versus Utrecht
Voor de gewesten (provincies) vormde de verplassing een groot gevaar. Er ging grond (lees: belasting) verloren, terwijl de grote plassen bij storm een steeds groter gevaar vormden voor de aanliggende gronden. Het droogmaken van de plassen kon dan helpen, maar soms ging men meer preventief te werk. Zo maakte de vrees voor wateroverlast bij de stad Utrecht dat de Staten van Utrecht in 1790 verdere turfwinning bij Westbroek verbood. Amsterdam kende dit verbod niet, zodat het Hollandse deel ten noorden van het Tienhovensch Kanaal geheel verveend werd.

De Tienhovensche Vaart
Met deze beknopte uitwijding over het landschap in het Utrechts-Hollands veengebied, is het ontstaan en de ontwikkeling van het Tienhovensch Kanaal in een breder perspectief geplaatst. Met de start van de turfwinning worden veel van de begrenzingssloten gebruikt als turfvaarten ten behoeve van de afvoer van turf naar de Vecht en zo naar de steden Utrecht en Amsterdam. Als voorloper van het Tienhovensch Kanaal ontstond dan ook in de 17e eeuw eerst de Tienhovensche Vaart. Deze vaart is het gevolg van de verbreding van de perceelssloot tussen de Tienhovensche en Breukeleveensche ontginningsblokken. De aansluiting met de Vecht vond plaats door de vaart aan te takken op een oude Vechtmeander. Aan de oostzijde loopt de vaart door tot aan de Weersloot bij de grens met Holland.


Zicht vanaf het Tienhovensch Kanaal op de Loosdrechtse Plassen. In de zomer megadruk.

Het Tienhovensch Kanaal
De Tienhovensche Vaart is bijna twee eeuwen in gebruik geweest als turfvaart. Het is één van de belangrijkste turfvaarten in het veengebied door de centrale ligging en door de naastgelegen landroute richting Nieuw-Loosdrecht. Deze ligging wekte in de 19e eeuw de belangstelling op van investeerders die nog altijd droomden van een rechtstreekste verbinding tussen Vecht en Eem (zie Praamgracht). In 1824 doet de heer Van de Wall hiertoe een voorstel. Ook de ontginning van het Gooi speelde daarbij een rol. Na het verlenen van de goedkeuring werd tussen 1836 en 1869 de Tienhovensche Vaart verbreed tot kanaal. Het is de bedoeling het kanaal te verlengen tot aan Eemnes om zo via de Eemnesservaart bij de Eem te geraken. Deze beoogde verlenging werd echter een fiasco. De kanaalbouwers komen tot aan de Hoorneboeg, maar de hoge zandgronden van het Gooi maken het een zodanig kostbaar project dat doorgaan niet rendabel is. Op een kanaal tussen Vecht en Eem zit intussen niemand meer te wachten. Hilversum beschikt al over een eigen waterverbinding met de Vecht (Gooische Vaart), turf is als brandstof op zijn retour en een ontginning van de heidegronden van het Gooi past niet in het gebruik van deze woeste gronden door de Erfgooiers. In 1882 besluit de provincie Utrecht er geen geld meer aan uit te geven. Voor het Gooi gelukkig maar ook. Nu hebben we er de fraaie Gooise natuurreservaten aan te danken. Aan de rand van één van deze reservaten, de Hoorneboegsche Heide, ligt nu dus het doodlopende Tienhovensche Kanaal. Men wist nog net de Noordweg tussen Loosdrecht en Hollandse Rading te passeren, maar daarna hield het op.

De Nieuwe Hollandse Waterlinie
Daarmee is de geschiedenis van het kanaal eigenlijk wel verteld, ware het niet dat in de 19e eeuw de Nieuwe Hollandse Waterlinie werd aangelegd. Deze waterlinie voorziet in het inunderen van het gebied ten oosten van de Vecht om zo de vijand te beletten Holland te bereiken. De plassen rondom het Tienhovensch Kanaal konden daarbij goed gebruikt worden. Alleen het kanaal zelf en de aanliggende kade vormt een zogenaamd acces door dit watergebied dat verdedigd moest worden. Voor dit doel werd tussen 1848 en 1850 fort Tienhoven gebouwd, op de rand van de lage Bethunepolder en net ten oosten van het punt waar het Tienhovensch Kanaal overgaat in de voormalige Vechtmeander. Het kanaal (toen nog vaart) werd keurig om het fort heen geleid en diende zo tegelijk als fortgracht.


Het Tienhovensch Kanaal net ten zuiden van de Hoorneboegsche Heide.

 

Langs het Tienhovensch Kanaal

Een verborgen start
Ik volg het Tienhovensch Kanaal vanaf de Gooise heide tot aan de Vecht. Voor de meeste mensen zal dit de minst logische route zijn. Het ligt meer voor de hand om via de Vecht het kanaal aan te doen. Het zoeken naar het eindpunt van het kanaal tussen de ‘bergen’ op de heide trok mij echter als zoektocht erg aan. Een zoektocht zou het ook worden. Je hebt een goede topografische kaart nodig om het te vinden. Het kanaaleinde ligt verscholen in de natuur, enigszins afzijdig van de hoofd wandel- en fietsroutes (1). Als je er per ongeluk langs loopt dan zal je het niet herkennen als kanaal. Het kanaal is overwoekerd met groen. Daarnaast liggen er meerdere dammen in, zodat het doorgaande karakter niet zichtbaar is. Van varen is hier dan ook zeker geen sprake. Het kanaal heeft meer weg van een klein langgerekt ven. De natuurwaarden zullen inmiddels behoorlijk zijn. 

Op pad
De natuur in en om het kanaal mag fraai zijn, maar een kanaalgevoel krijg je er niet van. Dit verandert geleidelijk als de Noodweg wordt gepasseerd. Nu stroomt het kanaal door een dicht bos op landgoed Einde Gooi. Er loopt een zand-keipad op enige afstand langs het kanaal. Het kanaal zelf is dicht begroeid. Her en der liggen omgevallen boomstammen in het kanaal. Het is er donker en het water is er zeer troebel. Aan de overzijde zijn half verscholen tussen het groen de gebouwen van het Instituut Defensie Geneeskundige Opleidingen te zien met wat zelfs wel lijkt op een groot kerkgebouw.

En toen was er licht
Na enkele honderden meters, bij een idyllisch gelegen boerderijtje, komt het kanaal dan eindelijk uit het donkere bosgebied. Het levert meteen een fraai landelijk plaatje op met paarden langs de oever van het water. Het kanaal loopt zonder kade door het land en lijkt daarmee wel wat op een wetering in het Groene Hart. Omdat het kanaal een flauwe bocht maakt, ontstaat er steeds meer afstand tussen het kanaal en het wandelpad ten oosten ervan. Het is echter niet ver totdat bij huis ‘De Sluijs’ (2), weg en kanaal weer bij elkaar komen. 


Lommerrijk landschap bij Einde Gooi.

Vergane glorie
Huis ‘De Sluijs’ zegt het al. Hier lag ooit een sluis in het kanaal. Daar is nu niets meer van terug te vinden alhoewel de sfeer van de plek is gebleven. Zo lijkt er sprake van een kanaalaftakking langs de Graaf Floris V Weg naar Hollandse Rading. In de huidige situatie zou je zelfs geneigd zijn deze te zien als de hoofdroute. Dit deel van het kanaal loopt echter al na een kilometer dood. Onduidelijk is wat de functie was. Was het de bedoeling om aan te sluiten op de Praamgracht in Maartensdijk of is het een tracé dat werd verlaten ten gunste van het tracé naar de Hoorneboeg? Misschien diende het ter ontginning van het aangelegen gebied (het meest afgelegen deel van het ontginningsblok Achttienhoven)?

Langs de grens
Het kanaal verder volgend valt op dat het nu laag in het land ligt. Vreemd eigenlijk, want het land ligt hier lager dan bij de Hoorneboeg en landgoed Einde Gooi. Zou ik dan toch een sluisdeur hebben gemist? Na een kleine slinger wordt boerderij Vrede-Best aangedaan. Vanaf hier volgt het kanaal een meer rechte loop precies op de grens van Holland en Utrecht. Een fraaie grenssteen langs het kanaal herinnert hier aan. Het kanaal zou hier goed bevaarbaar kunnen zijn, ware het niet dat er een aantal vaste bruggen in ligt. De bevaarbaarheid beperkt zich dan ook tot eventuele roeiboten en kano’s. Deze zijn vandaag nergens te zien.

De weidsheid
Dat is ook niet zo gek, want het weer is bij tijd en wijlen slecht. Donkere wolken jagen door de lucht, gevolgd door felle opklaringen. Dit valt des te meer op, omdat het landschap waarin het kanaal stroomt nu erg open is. Ik ben aan het uiteinde van de oude veenontginningen. Weilanden en her en der bossages domineren het beeld. Aan de zuidzijde is recent een prachtig wandelpad (het Bert Bospad (3)) aangelegd door de restanten van de verveningen in de Polder Westbroek. Er zijn hier fraaie vergezichten, met ver in het zuiden de domtoren van Utrecht en in het noorden de televisietoren van Hilversum en de robuuste kerktoren van Nieuw-Loosdrecht. Tot aan het punt waar het kanaal afbuigt van de Weersloot wordt het kanaal begeleid door opgaand groen. Alleen aan de zuidzijde bevindt zich een doorgaande weg langs het kanaal. Deze Kanaaldijk is na de laatste boerderij afgesloten voor het gemotoriseerd verkeer.


Kanaal door een mooi polderlandschap.

Het grote genieten
Vanaf dat punt is ook het grote genieten aangebroken. Wat een prachtig landschap ligt hier; de wijdsheid, de wolkenluchten, de afwisseling tussen bossages, waterpartijen en weilanden. Het kanaal zelf valt een beetje weg in dit overweldigende landschapsbeeld. Aan de noordzijde zijn de dichte bossages van de eendenkooi van Breukeleveen (4) te zien. Aan de zuidzijde de kleinere en grotere waterplassen van de Tienhovensche Binnenpolder. Zo mag het eindig doorgaan. Het mooie is ook dat je hier nu goed langs kan fietsen. Ik herinner mij nog van vroeger dat dit een pad door de weilanden was. Je kon er niet fietsen, althans niet tenzij je bereid was je fiets over de boerenhekken te tillen. Nu ligt er dan eindelijk een mooie fiets- en wandelroute, hulde.

Bij het Onland
Net voor Tienhoven verandert de route langs het kanaal van karakter. Het brede fietspad maakt plaats voor een smal pad, waar overigens wel gefietst mag worden. Blijf vanaf dat punt dan wel langs het kanaal gaan, want de hoofdfietsroute leidt je meer binnendoor naar Tienhoven. Overigens ook niet verkeerd, want dan kom je langs de fraaie wipwatermolen ‘De Trouwe Wachter’ uit 1832 (5), één van de mooiste molens in de omgeving. Ook het gebied rondom de molen is waterstaatkundig interessant. De molen zorgde voor de afwatering van de Oostelijke Binnenpolder van Tienhoven en sloeg het water uit op de Loosdrechtse Plassen. De molen is nu niet meer in gebruik. Gemalen hebben het werk overgenomen. Het smalle pad langs het kanaal is echter één van de mooiste delen van de kanaalroute. Aan de zuidzijde ligt een mooi waterlandschap (onland) van petgaten en legakkers. Aan de noordzijde zijn er vergezichten over de wijdse Stille Plas. Het kanaal zelf heeft dan alweer een metamorfose ondergaan. Aan de oostzijde van de Stille Plas bestaat een verbinding tussen kanaal en plas. Vanaf dat punt wordt het kanaal zelf afgedamd en is het weelderig overwoekerd door groen. Blijkbaar is hier de keuze gemaakt om te varen over de Stille Plas en het kanaal aan de natuur terug te geven. Enigszins vreemd, maar het is wel prachtig hier om te lopen of fietsen.

De ontginningslinten
Na een kleine kilometer wordt het ontginningslint Tienhoven aangedaan. Hier is de natuurontwikkeling van het kanaal weer ten einde en is weer sprake van een echte vaarweg. De wetering door het dorp Tienhoven sluit middels een, niet meer in gebruik zijnde, sluis aan op het Tienhovensch Kanaal. Het is een mooie plek zo boven op de brug/sluis met zicht over het water van de Loosdrechtse Plassen en de historische bebouwing van Tienhoven. Het kanaal strekt zich in een lange rechte lijn uit naar het westen. In de verte is de brug zichtbaar naar de voormalige korenmolen van Breukeleveen en Tienhoven: de Oud Strijdermolen (6). Deze molen staat precies tussen beide dorpen in. Voor wie de tijd heeft, is een bezoek aan Tienhoven en Breukeleveen aan te raden. Tienhoven is een lintdorp met veel karakter. Breukeleveen is een wondere wereld op zich zo te midden van de plassen. Feitelijk is het een stuk veengrond dat is uitgespaard bij de ontginning. Je vindt er wat historische huisjes van vroeger, maar meer nog zie je er de rijkdom die er is neergestreken in een bonte stijl van villa’s en bungalows en dat al over zo’n 50 jaar. Het is dan ook een uniek woonmilieu zo aan het water.


Fraai wandelpad langs het kanaal.

Over de brug naar het strand
We laten deze wereld van luxe en status echter voor wat die is en vervolgen de weg langs het kanaal. Althans dat zou ik graag willen, maar aan de zijde van de Bethunepolder is onderlangs de dijk een fietspad aangelegd en sindsdien is het verboden te fietsen op de Nieuwe Weg langs het kanaal. Voor wie weet hoe druk het hier kan zijn in de zomer kan een dergelijk initiatief vanuit de verkeersveiligheid alleen maar toejuichen. Jammer is echter wel dat het kanaal nu niet meer te zien is. De Bethunepolder ligt namelijk minstens 3 meter lager dan de weg langs het kanaal. Gelukkig zijn er op regelmatige afstanden aansluitingen gerealiseerd naar de strandjes langs de Loosdrechtse Plassen. Deze aansluitingen lopen via houten bruggen over het Tienhovensch Kanaal. Je kan zo dus toch nog goed het kanaal beleven en tegelijk genieten van het uitzicht over de Loosdrechtse Plassen, waar het ook prima picknicken, zonnebaden of zwemmen is.

Een badkuip als polder
Voor wie niet zo van strand houdt, zoals ik, heeft de Bethunepolder nog wel het nodige aan wetenswaardigheden. Het is een zeer rationeel verkavelde polder, maar wat direct opvalt is het zeer dichte netwerk aan sloten. Je zou kunnen denken dat je nog in het gebied van petgaten en legakkers bent. Zeker in het noordwestelijke deel van de polder waar veel natuurontwikkeling is. Ook de Bethunepolder is ooit uitgeveend en verworden tot een grote plas, maar anders dan de Loosdrechtse Plassen is deze plas wel weer droog gemalen en wel door de Belgische markies De Béthune. Hij had dat echter beter niet kunnen doen. Al snel bleek de bodem van het gebied een lekke zeef waaruit het kwelwater van de hoger gelegen Utrechtse Heuvelrug met groot enthousiasme opwelt. Rond 1880 was de polder enigszins droog, maar de situatie was verre van ideaal voor de land- en tuinbouw, zeker in het laagst gelegen noordwestelijke deel. Pas toen in 1930 het Gemeentelijk Waterbedrijf Amsterdam begon met het oppompen van water, daalde het waterpeil zodanig dat veeteelt mogelijk werd in het grootste deel van de polder. Nu schijnt de Bethunepolder het meest unieke drinkwaterwingebied ter wereld te zijn. Nergens welt zoveel grondwater op als hier, namelijk 34 miljoen m3 per jaar. Het voorziet daarmee in een derde van de totale behoefte van Amsterdam. Als er niet zou worden bemaald, zou het waterpeil in de polder elke dag met 1,5 cm. stijgen. Gelukkig is er dus het grote gemaal aan de Middenweg die het water loost op het Waterleidingkanaal dat vervolgens leidt naar de Waterleiding Plas ten oosten van Loenen. Van daaruit wordt het water naar Amsterdam vervoerd.

Een sprookjesachtig landschap
Intussen komt het fietspad gewoon weer samen bij de weg langs het kanaal. Hier ter hoogte van de Veenkade ligt een jachthaven aan het kanaal. Niet dat het recreatievaren op het kanaal is gericht, het gaat natuurlijk om de naastgelegen Loosdrechtse Plas. Het leidt echter ook tot wat meer recreatievaart over het kanaal zelf. Vanaf de Vecht varend moet je namelijk via het Tienhovensch Kanaal naar de Loosdrechtse Plas toe of vice versa. Richting het achter het groen verscholen fort Tienhoven biedt het kanaal een sprookjesachtig gezicht. Aan de noordzijde ligt de Kievitsbuurt, een fraai watergebied met petgaten en legakkers. Door talloze openingen is het kanaal hiermee aan de noordzijde verbonden. Het hoog opgaande groen op de legakkers en de vele doorkijkjes via de petgaten geeft het gebied een sprookjesachtige sfeer.


Draaibrug over het kanaal naar een strandje aan de Loosdrechtse Plas.

In de loop van kanonnen
En dan is het afgelopen met de rechte lijn waarin het kanaal loopt. Er wordt een korte bocht gemaakt rondom een groen eiland. Je kunt er niets van zien, maar op dit eiland ligt het fort Tienhoven (7). Het fort Tienhoven maakt onderdeel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en had als functie het dekken van de kade en de daarop gelegen landweg langs het Tienhovensch Kanaal. Deze kade sneed door zijn hoge ligging namelijk door de onder water gezette (geïnudeerde) gebieden heen. Van het fort is helaas niets te zien. Wellicht dat met een Open Monumentendag of in de fortenmaand een bezoek mogelijk is.

Prachtig wandelen
Overigens gaat net voor het fort een fraaie hoge loopbrug over het kanaal heen. Het maakt het mogelijk om fietsend of wandelend langs de noordzijde van het kanaal te gaan. Een leuke route. Net voor deze brug loopt er aan duiker onder het kanaal door. Hier loopt het Waterleidingkanaal onder het Tienhovensch Kanaal door. Overigens loopt een deel van het water van het Waterleidingkanaal wel over in het Tienhovensch Kanaal. Dit is goed te zien aan de zuidzijde van het fort, waar een overloop in het Waterleidingkanaal is gelegen. Langs dit kanaal ligt ook een prachtig wandelpad dat naar het gemaal bij de Middenweg leidt. Dat is voor een volgende keer, al is de verleiding om het pad te volgen groot.

Een duidelijke grens
Net na het fort komt het kanaal aan bij de Hoofddijk, de eerste ontginningsas vanaf de Vecht het veengebied in. Vanaf dit punt kent het kanaal geen kunstmatige loop meer, maar een natuurlijke. Het kanaal ligt hier namelijk in de bedding van een oude Vechtmeander. Op deze duidelijk herkenbare grens liggen enkele interessante waterstaatkundige bouwwerken, waaronder een oude inundatiesluis. Deze sluis staat in direct verband met het fort Tienhoven en de inundaties in het kader van de waterlinie. 

Naar de schoone Vecht
Omzoomd door hoge bomen loopt het kanaal vervolgens traag verder richting de monding in de Vecht. Daar wacht nog een verrassing in de vorm van de Kraaienestersluis. Dit is een in 2002 mooi gerestaureerde sluis die met de hand bediend kan worden. Dankzij deze sluis is een aantrekkelijke recreatieve vaarverbinding tussen de Vecht en de Loosdrechtse Plassen behouden gebleven. De hoofdverbinding tussen deze watergebieden loopt meer noordelijk via de Drecht en de sluis ten zuiden van Loenen. Na de sluis gaat het kanaal onder de weg over de Vechtdijk door en mondt dan uit in de Vecht. Rij je langs alle pracht en praal langs de Vecht, dan zou het kleine bruggetje over het kanaal en het kanaal zelf nauwelijks opvallen. We weten nu aan het einde van de route dat dat een gemiste kans zou zijn, maar ach laat het ook maar niet te druk worden. Het bord bij de ingang van het Tienhovensch Kanaal ten behoeve van het vaarverkeer werkt daar gelukkig ook aan mee: ‘Tienhovensch Kanaal – Zeer Ondiep!’. Laat ook maar zo.


Het Waterleidingkanaal loopt via een duiker onder het Tienhovensch Kanaal door.

 

Wat valt op?

  • ook het Tienhovensch Kanaal is niet echt een vaarkanaal. Het lijkt er toch op dat een groot deel van de kanalen in ons land niet of slechts beperkt bevaarbaar zijn. Het Tienhovensch Kanaal heeft als grote nadeel natuurlijk dat het doodloopt. Het vormt geen verbindingsroute. Het kanaal is deels verland, afgedamd en blijkbaar zo ondiep dat maar weinig boten er gebruik van kunnen maken. Allen het deel tussen de Vecht en de Loosdrechtse Plassen (bij de jachthaven) heeft een functie ten behoeve van de recreatievaart;
  • het kanaal mag dan wel voor de scheepvaart geen verbindende functie hebben, voor het fiets- en wandelverkeer is het een prachtige en unieke verbinding die drie zeer geliefde gebieden met elkaar verbindt: de Vecht, de Loosdrechtse Plassen en het Gooi. Het is een prachtige en snelle route tussen deze gebieden, waarbij het veengebied zelf ook zo zijn unieke kwaliteiten heeft, die de tocht zeer aangenaam maken;
  • langs dit kanaal staan veel informatieborden. Ze betreffen de landschappen en de flora en fauna die je er kan waarnemen. Het kanaal zelf wordt, in het beste geval, slechts zijdelings genoemd. Overigens is het sowieso een kanaal waar niet veel informatie over is te vinden. Dat terwijl de geschiedenis ervan en de intentie als verbinding tussen Vecht en Eem interessant is en ook verstrekkende gevolgen had kunnen hebben voor met name het Gooi;
  • de ligging van het kanaal ten opzichte van het landschap verandert voortdurend. In de Hoorneboeg ligt het in een dal, bij Einde Gooi ligt het op maaiveldniveau, terwijl langs de Hollandse Kade het water laag ligt. Richting Vecht verandert dit zo nog een aantal keer. Het zegt vooral veel over het gevarieerde  landschap waar het kanaal doorheen stroomt, want een werkende sluis is alleen bij de Vecht te vinden;
  • De aftakking van het kanaal bij Egelshoek richting Hollandse Rading is een soort klein raadsel. Daar moet ik nog eens achteraan.

 

Literatuur

  • Provincie Utrecht, Roland Blijdenstijn, Tastbare tijd; Cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht, Plan Plan Uitgeverij, Amsterdam, 2005.

Verdere informatie op de volgende websites:

---

Verkenning: 20 juli 2008 - Geplaatst: 9 september 2008 - Update: 2 juni 2010