• darkblurbg

Ligging

Het Kanaal Steenwijk-Ossenzijl ligt in de Kop van Overijssel aan de rand van het nationale park ‘Weerribben-Wieden’. Het kanaal heeft een lengte van 11,8 kilometer en loopt, zoals de naam al aangeeft, van Steenwijk naar Ossenzijl. Bij Steenwijk sluit het kanaal aan op het Steenwijkerdiep en in Ossenzijl op de Kalenbergergracht.

Geschiedenis

Altijd weer dat veen
Het komt vaker voor. De oorsprong van een kanaal staat vaak in relatie met een voormalig veengebied. Ook bij het Kanaal Steenwijk-Ossenzijl is dat het geval, maar wel weer net even anders dan anders. Het oorspronkelijk veengebied is dat van de Weerribben. Het veen ontstond langs de randen van de voormalige Zuiderzee en bedekte het kustgebied van de Kop van Overijssel en Zuidoost Friesland. Lang was het gebied ontoegankelijk, totdat omstreeks 1200 Friese monniken het gebied introkken.

Turf, turf en nog eens turf
Veen is turf en turf is brandstof. Al snel werd er dan ook turf gestoken voor lokaal gebruik. Niet veel later werd het ook verscheept naar elders. De Kop van Overijssel was vanaf de 15e tot in de 20e eeuw een belangrijke winplaats voor turf. Stadjes als Blokzuil, Kuinre, Vollenhove en Zwartsluis kwamen erdoor tot bloei. Van daaruit ging de turf over de Zuiderzee naar Amsterdam en de andere steden in het westen.

Ander landschap
De vervening had wel effect op het landschap. Al snel was er sprake van natte vervening waarbij het veen onder de waterspiegel wordt afgegraven. Daar waren regels voor. Zo moesten er legakkers (ribben) zijn waarop het veen uit de petgaten te drogen kon worden gelegd. In het zuidelijke deel, waar de turfwinning begon, waren deze legakkers te smal. Als gevolg van stormen werden ze weggeslagen en ontstonden grote plassen en meren. Uiteindelijk heeft dit geleid tot de Beulakkerwijde en Belterwijde; grote veenplassen ten zuiden van het Steenwijkerdiep.

We doen het anders
Toen de vervening verder noordwaarts trok, werd ook lering getrokken uit het verleden. De legakkers zijn hier breder en de petgaten smaller. Het land bleef zo bestaan, alhoewel het wel een heel ander en bijzonder landschap werd. Een soort van moerasgebied dat ook wel kraggenland wordt genoemd. Dit landschap is nu nog altijd goed te herkennen in de Weerribben. Het is nu van grote ecologische betekenis op internationaal niveau.


Eén van de vele molentjes in De Weerribben.

Na de turf komt het riet
Het moerassige land dat overbleef na de turfwinning was een ideale voedingsbodem voor riet. Er ontstond een grote rietcultuur die tot op de dag van vandaag standhoudt. Voor de kwaliteit van het riet zijn hoge waterstanden gunstig. Water is uitbundig aanwezig in de Kop van Overijssel. Het gebied ontvangt veel water vanuit het hogere Drente. Niet zelden leidde dat echter tot wateroverlast in het gebied en moesten vele honderden molentjes zorgdragen voor de waterafvoer.

Weg met het moeras
Aan het begin van de 20e eeuw ontstaan er plannen om het moerasgebied van de Kop van Overijssel te gaan inpolderen. De opgerichte ‘Ontginningsmaatschapij Land van Vollenhove’ moest deze klus gaan klaren. Gestart werd met de aanleg van een groot gemaal aan de Zuiderzeedijk onder Blokzijl: het A.F. Stroinkgemaal. Dit gemaal werd in 1919 opgericht. De riettelers waren fel tegen het verlagen van de waterstand en wierpen dijken op rondom hun gebieden. Daarbinnen konden ze de waterstand hoog houden. Door middel van molentjes werd hier juist water de rietpolders ingebracht.


Het Kanaal Steenwijk-Ossenzijl bij Ossenzijl.

Kanalen en polders
Naast het gemaal moest de waterhuishouding ook verbeteren door de aanleg van nieuwe kanalen rondom het voormalige veengebied. Zo kwam het Kanaal Beukers-Steenwijk in 1929 gereed en in 1932 het hier centraal staande Kanaal Steenwijk-Ossenzijl. In 1928 ging de eerste schop in de grond voor de nieuwe polders. Zo ontstond de Polder Giethoorn en de Polder Gelderingen. Beide polders liggen aan de oostzijde van het vroegere veengebied. De Polder Gelderingen wordt aan de noordzijde begrensd door het Kanaal Steenwijk-Ossenzijl. De bouw van het gemaal Slotemaker de Bruïne werd hier in 1933 gestart.


Het veranderende beeld van de Weerribben rondom het kanaal en het ontstaan van de Polder Gelderingen (1920, 1935 en 1960). 

Gestart en gestaakt
Uiteindelijk is na deze start van de inpolderingen niet veel meer terecht gekomen. Na de aanleg van de Polder Halfweg en het dorp Scheerwolde stagneerde de boel. De ontginningskosten waren te hoog ten opzichte van de landbouwwaarde. Daarnaast werd ingezien dat dit gebied meer waarde had als recreatiegebied, dan als landbouwgrond. In 1969 werd de ‘Ontginningsmaatschappij Land van Vollenhove’ opgeheven.

Het landschap toont zich in het kanaal
Het verhaal van dit landgebruik weerspiegelt zich in het kanaal. Het is een kanaal van noeste arbeid dat ten tijde van de werkverschaffing is aangelegd. In 1926 werd eraan begonnen waarbij baggermolens het grove werk deden en met schop en kruiwagen het profiel op diepte en breedte werd gebracht. Nabij Steenwijk is het kanaal onderdeel van het aanliggende polderlandschap van de Polder Gelderingen, maar halverwege Ossenzijl verandert dit dramatisch. Hier is het oneindig lijkende kraggenlandschap van de Weerribben beeldvullend aanwezig.

Aangepast voor de toekomst
Naast een functie voor de waterhuishouding, was het bij de aanleg al de bedoeling het kanaal te gebruiken voor de scheepvaart. De provincie Overijssel geloofde in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw nog sterk in haar vaarwegen. Zeker in een waterrijk gebied als de Kop van Overijssel. Voor landbouwproducten en bouwmateriaal waren kanalen ideaal. Met de komst van de vrachtwagen zou dit snel veranderen. Het Kanaal Steenwijk-Ossenzijl heeft zich echter aangepast aan de eisen van de tijd. Net zoals met de inpolderingen gebeurde. Het is nu een schakel in de recreatieve vaarroutes tussen de Kop van Overijssel en de Friese en Drentse vaarwegen. Men zag het goed in de jaren zestig van de vorige eeuw. De Kop van Overijssel heeft haar recreatieve potentie waar gemaakt.


De recreatieve functie van het gebied is sterk toegenomen.

Langs het Kanaal Steenwijk-Ossenzijl

Een bezoekerscentrum
Op een mooie nazomerdag parkeer ik de auto bij bezoekerscentrum Weerribben-Wieden net buiten Ossenzijl(1). Een handige plek voor een bezoek aan het kanaal. Het bezoekerscentrum is bereikbaar via de brug over het kanaal. Net ten westen hiervan mondt het kanaal zichtbaar uit in de Kalenbergergracht. Dit is één van vier bruggen over het kanaal, die allen bemand worden door een brugwachter. Ik zal er geen weddenschap mee winnen als ik stel dat ik de enige ben die vanuit het bezoekerscentrum een tocht langs het kanaal ga maken in plaats van de Weerribben in te trekken.

Een verdwenen brug
Het Kanaal Steenwijk-Ossenzijl is een kanaal, zoals dat past in de beeld bij de meesten van ons. Het kent lange rechte stukken met lome bochten, is redelijk breed en kent de nodige scheepvaart. Het kanaal is circa 30 meter breed en het mooie is dat je er vrijwel over de gehele lengte langs kunt wandelen of fietsen. Het eerste deel gaat dat nog samen op met het autoverkeer, maar vanaf de eerste bocht bij de Hoogeweg kun je verder over een voet-fietspad. Op dit punt (2) lag vroeger een brug, maar deze is vervangen door de brug bij het bezoekerscentrum. Er is nu niets wat aan deze brug herinnert of het moeten de beide wegdelen zijn die aan beide oevers nog in elkaars verlengde liggen.


Varen, fietsen en wandelen op en langs het kanaal.

Vissers en boten
Het voet-fietspad ligt aan de zuidzijde van het kanaal. Aan het begin en einde van dit pad liggen lange stukken aanlegsteigers. Ze zijn goed in gebruik door de recreatievaart. In het westelijke deel van het kanaal zijn er tussen het riet verder nog wat in verval zijnde in- en uitstapplekken te vinden. Het kanaal is blijkbaar ook een goede visstek. Aan de overzijde zijn tal van vissers aanwezig. Je kunt er op de onverharde kade een eind komen met de auto, want dit vervoermiddel lijkt hier duidelijk bij de vissersuitrusting te horen. Op deze mooie dag wordt er gelukkig ook veel gevaren. Het maakt het een vrij levendig en goed gebruikt kanaal.

Genieten van de Weerribben
Levendig, maar ook natuurrijk. Althans het gebied waar het aan grenst. Aan de westzijde wordt het kanaal geflankeerd door de Weerribben. Hier is het één en al rust, althans wat mensen betreft. Er vliegen tal van (water)vogels rond in wat lijkt een oneindig riet en waterland. Je kan het gebied vanaf het kanaal niet in. Wel is er bij de Lokkenpolder een paadje naar een vogeluitkijkhut en een libelle spotplek. De rust is er indrukwekkend. Terugkijkend naar het kanaal lijken de schepen dwars door het natuurgebied te varen, verscholen als ze zijn achter riet en struiken.


Prachtige natuur langs het kanaal in De Weerribben.

De overgang
Na een kilometer of vier zo langs het kanaal te hebben gereden kom je bij de Meenthebrug (3). Hier staat, zoals bij elke brug, een wat minder mooie cabine voor de brugwachter. De oude brugwachtershuisjes zijn er vaak nog wel, maar inmiddels verkocht aan en bewoond door particulieren. De bruggen zijn kruispunten waar de verschillende verkeersstromen elkaar even raken. Echter niet op een vervelende manier. Het heeft wel wat gezelligs en als de brug open staat en iedereen gemoedelijk naar de bootjes staat te kijken. Het gemotoriseerd en langzaam verkeer trekt gelukkig maar kort gezamenlijk op. Al snel splitst een fietspad zich af van de weg verder langs het kanaal. We laten de Weerribben achter ons en komen bij de Polder Gelderingen.

Wijdse vergezichten
Na de Meenthebrug zijn er weer veel aanlegplaatsen voor de recreatievaart. Veel vaarrecreanten maken hier een stop om vervolgens de Weerribben in te fietsen. Het voelt goed als een kanaal toch ook gebruikt wordt en daar is hier zeker sprake van. Met het binnenrijden van de Polder Gelderingen wordt het blikveld ook steeds wijder. In de verte doemt de 86 meter hoge kerktoren van de Grote of Sint-Clemenskerk in Steenwijk al op. Een blik naar het noorden richting Steenwijkerwold laat een licht glooiende heuvel zien. Het is een keileembult die is achtergelaten in de voorlaatste ijstijd, net zoals die van het Gaasterland, Wieringen en Texel.


Karakteristiek beeld van het Kanaal Steenwijk-Ossenzijl.

Uitwateren
Halverwege de Hesselingenbrug passeert het fietspad via een houten bruggetje de uitwateringssloot van het gemaal Slotemaker de Bruïne (4). Het is een fraaie plek. Het bijna 90 jaar oude gemaal ligt op zo’n 200 meter afstand van het kanaal. Het gemaal wordt geflankeerd door hoog opgaande bomen en er ligt een grote maalvijver voor. Het is een karakteristiek waterstaatkundig beeld voor de polders in Nederland. Het kan zijn dat er een verlangen is naar de meer natuurlijke omstandigheden uit het verleden, maar ik kan dit polderbeeld ook zeker waarderen.


Het gemaal Slotemaker de Bruïne.

Wat is het toch met riet?
Het beeld op de Hesselingenbrug (5) en de volgende Thijendijksbrug is niet heel anders dan waar al eerder sprake van was bij de Meenthebrug. Dit voor een kanaal zeer nieuwe kanaal kent nog een grote mate van uniformiteit. De afstand tussen beide eerstgenoemde bruggen is met circa 1,5 kilometer kort. Om langs het kanaal door te kunnen blijven fietsen is wel een wissel naar de noordzijde nodig. Bovenop de brug is er een mooi zich over het kanaal en het wijdse ommeland. Vanaf het pad is het kanaal soms vrijwel onzichtbaar geworden door het hoge riet. Een seizoensgebonden belemmering, maar best wel jammer van het zicht op het kanaal. Helemaal geen riet is echter ook weer zo wat.


Tussen het riet ineens in- en uitstapplekken. Vooral in het oostelijke deel.

Een nachtkaars
Bij de Thijendijksbrug (6) is er een geanimeerd gesprek met de brugwachter. Mooi om een inkijkje te krijgen in de bediening van de brug en het dagritme van de brugwachter. Het is verantwoordelijk werk dat vraagt om een continue aanwezigheid en alertheid. Misschien wel juist ook als het niet al te druk is. Gelukkig wordt er wel wat gewisseld binnen de regio en heb je als brugwachter zo ook je rondje om de kerk. Vanaf de Thijendijksbrug is het nog ruim een kilometer naar het einde van het kanaal. Ook hier weer volop ligplaatsen. Steenwijk is nu dichtbij, maar het kanaal eindigt aan de rand van de stad bij de kanaalkruising met het Steenwijkerdiep en het Kanaal Beukers-Steenwijk. Het is een grote waterkruising met veel vaarverkeer dat hier al spelevarend zijn weg kiest richting Wieden, Friese Meren of de oude Zuiderzeestadjes. Het kanaal Steenwijk-Ossenzijl gaat er als een nachtkaars in uit.


Einde van het kanaal bij Steenwijk.

Wat valt op?

  • laten we eerlijk zijn. Het Kanaal Steenwijk-Ossenzijl is niet het meest spannende en sprankelende kanaal van ons land. Je zou het zelfs wat saai kunnen noemen. Het is een monotoon kanaal zonder bijzondere elementen (wellicht de bruggen uitgezonderd);
  • beide uiteinden van het kanaal sluiten bij bovenstaande constatering aan. Vrijwel onopvallend gaat het kanaal over in veel oudere vaarten die wel een impact hebben op de ruimtelijke structuur en op de (historische) bebouwing. Het Kanaal Steenwijk-Ossenzijl is daarvoor eigenlijk te nieuw;
  • zeker de kanaalkruising bij Steenwijk verdient het om met bijvoorbeeld een herkenbaar kunstwerk wat meer in de aandacht te komen staan;
  • een wat saai kanaal dus, maar dit kanaal moet het van zijn ligging in het landschap hebben. Dat kraggen- en polderlandschap geeft het kanaal zeker wat glans;
  • het kanaal is van belang voor de recreatievaart. Het is een doorgaande route voor wie langs Giethoorn en Steenwijk wil varen tussen de Wieden en Friesland. Het wordt dus goed gebruikt en een gebruikt kanaal is altijd mooi om te zien;
  • er zijn veel ligplaatsen voor boten en schepen langs het kanaal. Zeker in de omgeving van de bruggen. Het lijkt daarmee als uitvalsbasis te fungeren voor bezoekjes aan de (natuurrijke) omgeving;
  • er is goed aan de wandelaars en fietsers gedacht. Het kanaal beschikt over vrijwel de gehele lengte over een vrijliggend fiets- en wandelpad. Een voorbeeld voor vele andere kanalen;
  • informatie over het kanaal is schaars. Zowel langs het kanaal als in de literatuur zelf. Het is duidelijk verbonden aan de vroeg 20e eeuwse ontginningsgeschiedenis. Alleen bij de Lokkenpolder wordt er enige informatie over het kanaal gegeven. Een voetnoot tussen alle natuurinformatie.


Veel ligplaatsen langs het kanaal.

Literatuur

  • Post, K., De Kop van Overijssel, Triangelreeks, Knoop & Niemeijer, Haren, 1970 Harmsen, G., T. Berkenbosch en S. Mijntjes, Van turf en tabak tot plastic buizen; uit de geschiedenis van de arbeidsbeweging in Steenwijk en omstreken, De Kuipe, 1991
  • Spreen, H. en J.D. van der Tuin (redactie), Stad en Woold; de gemeenten Steenwijk en Steenwijkerwold in de twintigste eeuw, Historische Vereniging Steenwijk en Omstreken, Drukkerij Hovens Grevé, Steenwijk, 1999
  • Bruinenberg, H., Duizend jaar Steenwijk, Boekdrukkerij G. Hovens Greve, Steenwijk, 1965

---

Verkenning: 21 september 2019 - Geplaatst: 18 februari 2020